Nederland kan effecten technisch op een blockchain zetten, maar juridisch kan de token nog niet zelfstandig het volledige effect dragen.
AFM en
DNB waarschuwen daarom dat Nederland achterop kan raken bij digitale effecten. Onder de huidige regels kunnen aandelen en obligaties niet uitsluitend als token worden uitgegeven, aangehouden en overgedragen.
Het probleem zit niet bij de techniek.
Het zit bij de vraag welke juridische gevolgen een wijziging in het digitale register heeft.
Een tokenoverdracht moet juridisch ook een overdracht zijn
Een blockchain kan vastleggen dat een token van wallet A naar wallet B gaat.
Maar daarmee is nog niet automatisch bepaald dat ook het onderliggende effect juridisch van eigenaar is gewisseld.
AFM en DNB noemen precies dat de Nederlandse frictie.
De kern ligt volgens hun rapport niet primair bij de vraag of getokeniseerde effecten vermogensrechten kunnen zijn. Het probleem zit bij de goederenrechtelijke gevolgen van wijzigingen in de tokenregistratie.
Wie is na de digitale overdracht juridisch rechthebbende?
Hoe wordt het effect verpand?
Wat gebeurt er bij faillissement van een tussenpartij?
En welke bescherming heeft een koper tegenover derden?
Een
blockchain kan transacties vastleggen. De wet moet vervolgens bepalen welke rechten aan die registratie vastzitten.
Directe tokenisatie kan nu niet
AFM en DNB maken onderscheid tussen meerdere vormen van tokenisatie.
Bij directe tokenisatie bestaat het effect zelf uitsluitend in digitale vorm. De tokenregistratie vormt dan de juridische basis voor het aanhouden en overdragen ervan.
Juist dat model loopt in Nederland vast.
Volgens het rapport maakt Europees recht het mogelijk om DLT te gebruiken voor effectenregistratie en directe uitgifte in gedematerialiseerde vorm.
De Nederlandse Wet giraal effectenverkeer, kortweg Wge, en het Burgerlijk Wetboek sluiten daar nog niet goed op aan. Daardoor kan een effect in Nederland momenteel niet rechtstreeks worden uitgegeven wanneer het uitsluitend als token bestaat.
AFM en DNB noemen directe tokenisatie daarom onder de bestaande Nederlandse regels niet mogelijk.
Indirect tokeniseren kan wél
Dat betekent niet dat Nederlandse partijen geen effecten op een digitaal register kunnen zetten.
Indirecte tokenisatie is volgens de toezichthouders wel mogelijk.
Daarbij bestaat het juridische effect al binnen een traditionele structuur. Vervolgens wordt daar een token aan gekoppeld.
De token belichaamt het effect dan niet zelfstandig, maar vertegenwoordigt een contractueel of afgeleid recht op het onderliggende financiële product.
Een obligatie kan bijvoorbeeld eerst volgens de bestaande regels worden uitgegeven en geregistreerd.
Daarna kan een DLT worden gebruikt voor een aanvullende administratie.
Het digitale register vervangt de juridische basis dan niet volledig.
Twee administraties halen voordeel weg
Daar ontstaat precies de constructie die AFM en DNB problematisch vinden.
Marktpartijen werken vaak met een traditioneel effectenregister én een digitale administratie.
Dat kan juridisch werkbaar zijn.
Maar het betekent dat twee registraties naast elkaar moeten blijven bestaan.
Daarmee verdwijnt een deel van het voordeel van tokenisatie.
Een gedeeld digitaal register is juist aantrekkelijk wanneer verschillende partijen dezelfde actuele registratie kunnen gebruiken.
Als daarnaast nog een aparte juridische administratie nodig blijft, moeten beide systemen voortdurend met elkaar overeenkomen.
En bij verschillen ontstaat een vervelende vraag: welke registratie telt?
Een token kan zelfs alleen een digitale kopie zijn
AFM en DNB onderscheiden daarnaast incomplete tokenisation, ook wel een digital twin.
Daarbij is de token slechts een digitale representatie of administratief hulpmiddel.
De juridisch relevante positie blijft volledig buiten het digitale netwerk bestaan.
De tokenhouder krijgt in dat model door het bezit van de token niet automatisch een zelfstandig recht op het onderliggende effect.
Dat laat zien waarom het woord “tokenized” alleen weinig zegt.
Twee producten kunnen technisch allebei een token gebruiken, terwijl de juridische rechten van de houder sterk verschillen.
Wge en Burgerlijk Wetboek zitten in de weg
De toezichthouders wijzen vooral naar twee Nederlandse kaders.
De Wge regelt hoe effecten via centrale instellingen en tussenpersonen worden aangehouden, geleverd en verpand.
Het Burgerlijk Wetboek bepaalt daarnaast welke handelingen nodig zijn om vermogensrechten juridisch over te dragen.
Juist daar botst een volledig digitale registratie met bestaande regels.
AFM en DNB schrijven bijvoorbeeld dat een mutatie in een DLT-register niet zonder meer een bestaande wettelijke leveringshandeling vervangt.
De computer kan dus laten zien dat token B nu bij een nieuwe wallet staat.
De wet hoeft daarmee nog niet te zeggen dat ook het effect rechtsgeldig is geleverd.
Europa biedt ruimte, Nederland moet die nog invullen
Ook het Europese DLT Pilot Regime lost dit nationale probleem niet volledig op.
Die Europese regeling geeft bepaalde marktpartijen experimenteerruimte voor handel en settlement van DLT-gebaseerde financiële instrumenten.
Maar volgens AFM en DNB creëert het regime geen nationaal civielrechtelijk kader.
Nationale eigendoms- en overdrachtsregels blijven dus relevant.
Dat is precies waarom Nederland ondanks Europese ruimte tegen eigen juridische grenzen aanloopt.
Dit onderwerp valt bovendien niet simpelweg onder
MiCA.
Getokeniseerde aandelen en obligaties kunnen financiële instrumenten zijn. Daarvoor gelden andere Europese effectenregels.
Duitsland en Frankrijk zijn verder
AFM en DNB kijken nadrukkelijk naar andere Europese landen.
Duitsland maakte met de Gesetz über elektronische Wertpapiere al in 2021 elektronische effecten mogelijk.
Frankrijk heeft regels waarbij een inschrijving in een gedeeld elektronisch register onder voorwaarden juridisch kan worden gelijkgesteld met een traditionele effectenregistratie.
Dat verschil is economisch relevant.
Een bank of effectenplatform dat een volledig digitaal product wil uitgeven, kijkt niet alleen naar netwerkcapaciteit en kosten.
Het wil vooraf weten of de digitale registratie juridisch standhoudt.
Wanneer een ander land die zekerheid wel biedt, kan de keuze snel daarheen verschuiven.
Toezichthouders vrezen dat activiteiten vertrekken
AFM en DNB waarschuwen daar expliciet voor.
Wanneer andere landen hun regels eerder aanpassen, kunnen nieuwe uitgiftes, bedrijven en marktstructuren zich daar vestigen.
Dat kan later moeilijk terug te draaien zijn.
De toezichthouders willen daarom niet wachten tot Europa alles centraal oplost.
Ze pleiten voor een traject waarin overheid, toezichthouders en marktpartijen concrete toepassingen uitwerken. Daarmee kan per geval worden vastgesteld of verduidelijking voldoende is of dat de Wge en het Burgerlijk Wetboek daadwerkelijk moeten worden gewijzigd.
Toezichthouders sturen aan op wetswijzigingen
Het rapport gaat daarbij verder dan alleen vragen om duidelijkheid.
AFM en DNB concluderen dat gerichte civielrechtelijke veranderingen nodig zijn om directe tokenisatie juridisch houdbaar en schaalbaar te maken.
Zowel het Burgerlijk Wetboek als de Wge moeten volgens hen worden gemoderniseerd.
Het doel is dat effecten uiteindelijk rechtstreeks digitaal kunnen worden uitgegeven, gehouden, geleverd en verpand.
Daarbij moeten ook bescherming tegen aanspraken van derden en scheiding van klantvermogen geregeld blijven.
De blockchainregistratie moet dus niet alleen technisch functioneren.
Ze moet dezelfde juridische zekerheid kunnen dragen die traditionele effectenregisters nu bieden.
Het probleem is niet óf Nederland kan tokeniseren
Dat maakt de conclusie smaller én belangrijker dan “Nederland verbiedt tokenized effecten”.
Nederland kan tokenisatie gebruiken.
Partijen kunnen indirecte of hybride constructies bouwen.
Wat ontbreekt, is een duidelijk pad waarbij de digitale registratie zelf de volledige juridische rol overneemt.
Precies daar schuift de internationale markt naartoe.
Wanneer één register straks handel, eigendom en settlement moet verbinden, wordt de vraag welke wet dat register erkent minstens zo belangrijk als de blockchain waarop het draait.
Nederland heeft de techniek daarvoor.
AFM en DNB zeggen nu dat het recht nog moet volgen.