Shorttraders kregen zondag duidelijk de hardste klap. Rond 16.27 uur Nederlandse tijd bestond ongeveer 67 procent van het door PerpFinder gemeten liquidatievolume uit gedwongen gesloten shortposities.
Over de voorafgaande 24 uur ging het om circa $47,4 miljoen aan shorts en $23,4 miljoen aan longs. Samen komt dat uit op ongeveer $70,8 miljoen.
Dat klinkt als een stevige afrekening met handelaren die op lagere koersen gokten. Toch zegt de verhouding minder over de totale marktpositionering dan het percentage op het eerste gezicht suggereert.
Bijna $47,4 miljoen aan shorts geliquideerd
De
openbare liquidatiedata van PerpFinder liet tijdens de momentopname $47,4 miljoen aan shortliquidaties zien.
Daartegenover stond ongeveer $23,4 miljoen aan gedwongen gesloten longposities.
De rekensom is simpel: shorts waren goed voor ongeveer 66,9 procent van het gecombineerde gemeten bedrag.
Een shortpositie verdient wanneer een cryptokoers daalt. Gaat de
prijs juist voldoende omhoog, dan loopt het verlies op.
Bij handel met hefboom kan het onderpand uiteindelijk onvoldoende worden. Het handelsplatform sluit de positie dan gedwongen om verdere verliezen te beperken.
Bij een long werkt dezelfde machine de andere kant op. Een voldoende sterke koersdaling kan de positie uit de markt drukken.
$70,8 miljoen is geen wereldwijde liquidatieteller
Daar zit meteen de grootste beperking van het cijfer.
De PerpFinder-snapshot bevatte liquidatiegegevens van Binance, Bybit, OKX en GMX. Gate.io en HTX werden tijdens deze meting als ontbrekende bronnen weergegeven.
Het bedrag van $70,8 miljoen is daarom geen volledige telling van alle gedwongen sluitingen op de wereldwijde cryptomarkt.
Ook andere handelsplatformen vallen buiten deze specifieke dataset.
Dat is relevant omdat de markt voor perpetual futures over veel
exchanges en decentrale platforms verspreid is. PerpFinder zelf volgt voor andere derivatendata veel meer handelsplaatsen, waardoor de dekking per databron duidelijk kan verschillen.
Wie het bedrag gebruikt, moet het daarom omschrijven als gemeten liquidatievolume.
Niet als alle cryptoliquidaties ter wereld.
Meer shortliquidaties betekent niet dat de markt vooral short was
Ook de verhouding van 66,9 procent heeft een duidelijke grens.
Ze vertelt welk type positie gedurende deze 24 uur werd geliquideerd. Ze vertelt niet hoeveel shorts en longs nog openstonden.
Stel dat een markt voor $10 miljard aan longs en $2 miljard aan shorts bevat. Een plotselinge koersstijging kan alsnog vooral shorts liquideren.
Uit de
liquidaties alleen kun je dus niet afleiden welke richting de meerderheid van alle handelaren heeft gekozen.
Daarvoor zijn andere gegevens nodig, zoals open interest, long/short-verhoudingen en funding rates.
Zelfs die indicatoren moeten gezamenlijk worden gelezen. De huidige PerpFinder-data laat bijvoorbeeld zien dat funding op dezelfde dag per handelsplaats en cryptomunt kan verschillen.
Ook geen bewijs voor één grote short squeeze
Veel shortliquidaties kunnen ontstaan wanneer koersen oplopen en hefboomposities hun liquidatiegrens raken.
Zo'n beweging kan zichzelf versterken.
Een platform dat een short gedwongen sluit, moet de positie afwikkelen. Wanneer veel posities dicht bij elkaar worden geraakt, kan dat extra koopdruk veroorzaken. Dat mechanisme wordt vaak een short squeeze genoemd.
Maar uit het totaalbedrag alleen volgt niet dat de hele cryptomarkt zondag door één grote short squeeze werd gedreven.
De PerpFinder-snapshot voegt liquidaties van verschillende handelsinstrumenten samen. De onderliggende munten kunnen afzonderlijk heel andere koersbewegingen hebben doorgemaakt.
Om een squeeze bij bijvoorbeeld
Bitcoin vast te stellen, moet specifiek naar de positiegegevens en koersbeweging van
BTC worden gekeken.
Geliquideerde positie is niet hetzelfde als persoonlijk verlies
Ook de dollars achter het liquidatiecijfer vragen uitleg.
De $47,4 miljoen beschrijft de waarde van geliquideerde shortposities binnen de dataset. Dat bedrag is niet automatisch gelijk aan het geld dat traders uit eigen zak verloren.
Hefboom maakt dat verschil mogelijk.
Een handelaar kan bijvoorbeeld met $1.000 onderpand een positie van $10.000 controleren. Wordt die positie geliquideerd, dan kan de geregistreerde positiewaarde veel groter zijn dan het oorspronkelijke onderpand.
Hoeveel de handelaar werkelijk verliest, hangt onder meer af van leverage, instapprijs, onderhoudsmarge en de regels van het platform.
Een liquidatieteller meet daardoor vooral hoeveel hefboompositie uit de markt is gedwongen.
Liquidatiekaart vertelt weer iets anders
Liquidaties die al hebben plaatsgevonden moeten bovendien worden onderscheiden van populaire liquidatiekaarten.
Een historische liquidatiemeting registreert gedwongen sluitingen die handelsplatformen al hebben gemeld.
Een liquidatiekaart probeert juist te schatten waar nog openstaande posities mogelijk in de problemen komen wanneer de
koers een bepaald niveau bereikt.
Dat tweede cijfer is dus geen pot geld die gegarandeerd wordt geliquideerd.
Posities kunnen vooraf worden gesloten, extra onderpand krijgen of veranderen voordat de geschatte koerszone wordt bereikt.
Dataset blijft een momentopname
Ook de beschikbaarheid van bronnen kan tussen twee PerpFinder-metingen veranderen.
Wanneer een exchange tijdelijk geen gegevens levert en later terugkeert, kan het gemeten totaal stijgen zonder dat die volledige verandering door nieuwe marktliquidaties is veroorzaakt.
Dat maakt een exacte timestamp belangrijk.
De momentopname van zondag om 16.27 uur laat één ding overtuigend zien: binnen de toen beschikbare gegevens werd aanzienlijk meer shortvolume dan longvolume uit de markt gedrukt.
Met $47,4 miljoen tegenover $23,4 miljoen kregen de bears duidelijk de hardste tik.
Of de markt daarmee ook structureel verkeerd gepositioneerd stond, valt uit die $70,8 miljoen alleen niet af te leiden.