Bitcoin kan wekenlang rustig bewegen en toch één slechte handelsdag verwijderd zijn van een forse tik. Lage
BTC-volatiliteit vertelt namelijk niets over dunne orderboeken, extreme uitschieters of opgehoopte derivatenposities.
Daar zit de valkuil. Wie vraagt of
Bitcoin “minder riskant” is geworden, stelt eigenlijk vier verschillende vragen tegelijk.
Volatiliteit meet de normale herrie
Gerealiseerde volatiliteit kijkt terug. De maat berekent hoe sterk rendementen binnen een gekozen periode rond hun gemiddelde bewogen.
Dat klinkt droog, maar de boodschap is simpel. Minder dagelijkse beweging levert meestal een lagere volatiliteitsmeting op.
Alleen bepaalt het gekozen tijdvak een groot deel van het antwoord.
Een rustige maand kan er keurig uitzien terwijl een forse daling van enkele maanden geleden buiten het meetvenster valt. Kies een langer tijdvak en diezelfde schok telt opeens weer mee.
Volatiliteit zegt bovendien niets over richting.
Een reeks sterke stijgingen kan de meter net zo goed omhoog trekken als een reeks harde verliezen. Lage volatiliteit betekent dus niet dat Bitcoin goedkoop is, veilig is of klaarstaat voor een stijging.
Het betekent alleen dat de gemeten bewegingen binnen die periode kleiner waren.
Een rustige markt kan nog steeds gemene staarten hebben
Hier wordt het interessanter.
Gemiddelde beweging en uitzonderlijke beweging zijn niet hetzelfde. Een markt kan op de meeste dagen weinig doen en tussendoor plotseling een enorme klap uitdelen.
Denk aan negen rustige handelsdagen en één verkoopgolf waarbij liquidaties door het boek razen. De gemiddelde rust vertelt dan maar een deel van het verhaal.
Daarom kijken risicomanagers ook naar de staart van de verdeling: juist de uitkomsten die zelden voorkomen, maar hard aankomen.
Het Basel Committee definieert
expected shortfall als het gemiddelde verlies dat overblijft nadat een vooraf gekozen verliesgrens al is overschreden.
Vrij vertaald: niet alleen vragen waar de grens ligt, maar ook hoe smerig het wordt zodra je erdoorheen bent.
Dat is iets anders dan tellen hoe vaak Bitcoin een uitzonderlijke handelsdag kent. Frequentie en schade zijn twee aparte problemen.
Een markt kan minder vaak ontsporen, maar harder wanneer het gebeurt.
Orderboekdiepte bepaalt hoeveel verkoopdruk er werkelijk past
Dan de tweede val.
Een koersgrafiek kan kalm ogen omdat er simpelweg nog geen grote verkoper tegen het orderboek heeft geschopt.
Orderboekdiepte meet hoeveel koop- en verkooporders rond de huidige
prijs klaarstaan. Kraken omschrijft
bid- en ask-diepte als het cumulatieve volume van openstaande orders op bepaalde prijsniveaus.
Meer diepte betekent doorgaans dat een grotere order kan worden verwerkt zonder dat de prijs meteen tientallen niveaus doorschiet.
Maar die orders zijn geen betonnen muur.
Market makers kunnen hun biedingen intrekken. Handelaren kunnen limietorders verplaatsen. Tijdens paniek kan de zichtbare liquiditeit verdwijnen precies wanneer iedereen denkt haar nodig te hebben.
Daarom is “er ligt nu veel liquiditeit” iets anders dan “ik kan tijdens een verkoopgolf tegen deze prijzen uitstappen”.
Dat verschil wordt nog groter bij kleinere
altcoins. Daar kan een ogenschijnlijk normale markt met één flinke order ineens leeggetrokken worden.
Volume en diepte worden te vaak door elkaar gehaald
Een handelsplatform kan miljarden dollars volume draaien en toch op bepaalde momenten een dun orderboek hebben.
Volume kijkt achteruit. Het telt wat daadwerkelijk is verhandeld.
Diepte kijkt naar wat er op dit moment klaarstaat om verhandeld te worden.
Dat verschil bepaalt slippage. Een grote marktorder moet steeds verder door het orderboek eten wanneer er weinig orders rond de actuele
koers liggen.
De gemiddelde uitvoeringsprijs wordt daardoor slechter.
Voor een kleine particuliere order maakt dat soms amper uit. Voor een fonds dat tientallen miljoenen dollars moet verplaatsen, is het verschil geld.
Veel handel betekent dus niet automatisch dat veel handel zonder koersimpact mogelijk is.
Derivaten vertellen weer een ander verhaal
Daarna komt open interest.
CME Group definieert open interest als het aantal futurescontracten dat nog openstaat en niet is gesloten of afgewikkeld.
Volume telt hoeveel contracten gedurende een periode van eigenaar wisselden. Open interest telt hoeveel posities nog leven.
Dat verschil is groot.
Tien handelaren kunnen dezelfde contracten honderd keer heen en weer handelen. Het volume schiet omhoog, terwijl het aantal resterende open contracten veel minder verandert.
Maar hoge open interest is nog geen automatische rode vlag.
Ieder derivatencontract heeft een koper en verkoper. Alleen het totale aantal contracten vertelt niet of de markt massaal long zit, hoeveel hefboom wordt gebruikt of hoe dicht posities bij liquidatie liggen.
Daarvoor heb je extra informatie nodig: onderpand, funding, positieopbouw en leverage.
Dollarwaarden kunnen derivatenrisico vertekenen
Zelfs een daling van open interest in dollars kan misleiden.
Stel dat hetzelfde aantal BTC-contracten open blijft, maar de Bitcoinprijs daalt met 15%. De dollarwaarde van die posities kan dan eveneens afnemen.
Op het dashboard lijkt derivatenactiviteit te verdwijnen.
In aantallen contracten hoeft nauwelijks iets veranderd te zijn.
Wie alleen naar dollars kijkt, kan daardoor concluderen dat handelaren risico hebben afgebouwd terwijl een deel van de daling puur uit de lagere Bitcoinprijs komt.
Precies daarom moeten eenheid en meetmethode naast ieder groot cijfer staan.
Vier meters kunnen tegelijk gelijk hebben
Neem een denkbeeldige handelsweek.
Bitcoin beweegt vijf dagen binnen een kleine bandbreedte. De gerealiseerde volatiliteit zakt.
Tegelijk groeit open interest omdat handelaren met derivaten nieuwe posities openen.
Het orderboek ziet er op normale momenten dik uit, maar market makers trekken tijdens slecht nieuws een deel van hun biedingen terug.
Dan komt één harde beweging. Liquidaties versterken de verkoop en de koers schiet veel verder door dan die rustige dagen deden vermoeden.
Welke meter zat fout?
Geen enkele.
De volatiliteitsmeter zag rustige dagelijkse bewegingen. De orderboekmeter zag beschikbare liquiditeit vóór de schok. Open interest zag veel uitstaande contracten. Een staartmaat zag juist het risico van de extreme uitkomst.
Ze meten simpelweg niet hetzelfde.
Ook Bitcoin en Ethereum kunnen anders scoren dan altcoins
Hetzelfde probleem ontstaat wanneer verschillende munten worden vergeleken.
Bitcoin en
Ethereum kunnen diepere orderboeken hebben dan veel kleinere munten. Dat kan grote transacties beter opvangen.
Maar betere verkoopbaarheid wist koersrisico niet uit.
En lage volatiliteit wist hefboomrisico niet uit.
Een liquide markt kan nog steeds hard dalen. Het verschil is dat er doorgaans meer tegenpartijen beschikbaar zijn terwijl die daling plaatsvindt.
‘Bitcoin wordt veiliger’ zegt daarom bijna niets
Dat is uiteindelijk het probleem met één allesomvattend risicolabel.
Veiliger op welke manier?
Minder dagelijkse koersschommelingen? Kleinere extreme verliezen? Meer orders rond de marktprijs? Minder hefboom in derivaten?
Pas na die vraag wordt een cijfer bruikbaar.
Wie alleen volatiliteit bekijkt, ziet de temperatuur. Niet hoeveel brandstof er naast het vuur staat.