Google stuurt zijn eigen
AI-chips daadwerkelijk de ruimte in. De eerste TPU’s van Project Suncatcher moeten volgende week in een baan om de aarde belanden voor een test onder straling, hitte en lanceergeweld.
Daarmee verschuift de
AI-race opnieuw. Niet alleen Nvidia-chips en modellen bepalen hoeveel rekenkracht bedrijven kunnen bouwen. Stroom, koeling en verbindingen worden steeds vaker de harde grens.
Eerste TPU’s gaan volgende week omhoog
Google maakte op 24 september bekend dat Project Suncatcher aan zijn eerste test in de ruimte begint.
Een prototypesatelliet gaat mee met de Transporter-18-ridesharemissie van SpaceX. Google werkt daarvoor samen met satellietbedrijf Planet.
Het doel is nog bescheiden.
Google bouwt geen volledig datacenter in een baan om de aarde. Het bedrijf wil eerst weten of zijn Tensor Processing Units betrouwbaar blijven werken onder omstandigheden die op aarde nauwelijks na te bootsen zijn.
Dat begint al tijdens de lancering.
Een raket kan ongeveer tien keer de zwaartekracht op de satelliet uitoefenen. Losse onderdelen kunnen tijdelijk zelfs krachten van 50 tot 100 g voelen.
Trillium-TPU overleefde zware stralingstest
Eenmaal in de ruimte ontstaat een ander probleem: straling.
Kosmische straling en zonnedeeltjes kunnen fouten veroorzaken in elektronica. Een enkele bitflip kan al genoeg zijn om berekeningen te verstoren.
Google testte daarom zijn Trillium v6e-TPU’s met een protonenbundel bij UC Davis.
De eerste resultaten waren opvallend sterk.
De High Bandwidth Memory begon pas onregelmatigheden te tonen rond een cumulatieve dosis van 2 krad. Dat is bijna drie keer de afgeschermde dosis die Google voor een missie van vijf jaar verwacht.
Bij een afzonderlijke chip zag Google tot 15 krad geen harde storing die aan de totale stralingsdosis kon worden toegeschreven.
Dat is nog geen bewijs dat complete AI-clusters jarenlang probleemloos in de ruimte kunnen draaien.
Maar het haalt wel één technische vraag van de categorie “waarschijnlijk onmogelijk” naar “verder testen”.
Waarom Google überhaupt naar de ruimte kijkt
De echte reden zit niet in ruimtevaart.
Die zit in elektriciteit.
AI-datacenters gebruiken steeds meer stroom. Het Internationaal Energieagentschap verwacht dat het wereldwijde elektriciteitsverbruik van datacenters stijgt van ongeveer 485 TWh in 2025 naar circa 950 TWh in 2030.
AI-gerichte datacenters groeien volgens diezelfde raming nog sneller: hun stroomverbruik verdrievoudigt in die periode.
Google voelt die druk zelf.
Het bedrijf meldde in zijn milieurrapport over 2025 dat de vraag naar elektriciteit sterk opliep door de snelle AI-uitbouw. Wachttijden voor netaansluitingen, tekorten aan materiaal en vertraging bij nieuwe energieprojecten remmen verdere uitbreiding.
Dat maakt een extra TPU alleen nuttig wanneer ergens ook genoeg megawatt beschikbaar is om hem aan te zetten.
In de ruimte schijnt de zon bijna continu
Project Suncatcher onderzoekt daarom een radicaal alternatief.
Satellieten in een geschikte lage baan om de aarde kunnen bijna voortdurend zonlicht ontvangen.
Volgens Google kan een zonnepaneel daar onder gunstige omstandigheden tot acht keer productiever zijn dan een vergelijkbaar paneel op aarde.
Minder nacht betekent minder opslag.
Meer zonuren betekenen meer
energie per vierkante meter zonnepaneel.
Dat klinkt aantrekkelijk wanneer je duizenden AI-chips van stroom wilt voorzien.
Alleen verschuift het probleem daarna meteen naar de volgende bottleneck.
Warmte verdwijnt niet vanzelf in de ruimte
TPU’s zetten een flink deel van hun elektriciteit uiteindelijk om in warmte.
Op aarde kan een datacenter lucht, water of andere koelmiddelen gebruiken om die warmte naar buiten af te voeren.
In het vacuüm van de ruimte bestaat geen luchtstroom die warmte van een radiator meeneemt.
Warmte moet uiteindelijk als straling aan de ruimte worden afgegeven.
Google experimenteert daarom met heatpipes en grote radiatoren. Het systeem is al getest in een thermische vacuümkamer.
De orbitale test moet laten zien hoe dat koelconcept zich gedraagt wanneer de TPU daadwerkelijk boven de aarde draait.
Dit kan uiteindelijk een moeilijker schaalprobleem blijken dan stroom opwekken.
Een zonnepaneel groter maken is één ding.
Gigawatts aan hitte kwijt kunnen is iets anders.
Google wil tientallen TPU’s per satelliet
De ambitie gaat veel verder dan één chip in één satelliet.
Toekomstige Suncatcher-ontwerpen moeten volgens Google tientallen TPU’s per satelliet dragen.
Meerdere satellieten zouden vervolgens samen één rekensysteem vormen.
Daarvoor moeten die machines extreem snel met elkaar communiceren.
Een groot AI-model wordt namelijk niet netjes door één chip verwerkt. Werk wordt verspreid over enorme aantallen versnellers die voortdurend data uitwisselen.
Google berekende eerder dat verbindingen tussen satellieten uiteindelijk bandbreedtes van tientallen terabits per seconde nodig kunnen hebben.
Gewone satellietcommunicatie is daar niet voor gebouwd.
Lasers moeten satellieten aan elkaar knopen
Google onderzoekt daarom optische verbindingen.
Satellieten sturen dan gegevens via lasers naar elkaar.
Het probleem is precisie.
De satellieten vliegen met enorme snelheid rond de aarde en bewegen ten opzichte van elkaar. Tegelijk moet een smalle laserstraal exact op de volgende satelliet blijven gericht.
Google vergelijkt het met het raken van een doel ter grootte van een munt vanaf kilometers afstand terwijl beide kanten bewegen.
Dat onderdeel wordt in 2027 serieuzer getest.
Dan wil Google twee satellieten in een baan brengen om onderlinge communicatie en gedistribueerde AI-berekeningen verder te onderzoeken.
Een ruimtedatacenter is nog ver weg
Daarmee is Project Suncatcher nog lang geen commercieel product.
Google moet niet alleen koeling, straling en laserverbindingen oplossen.
Er blijven vragen over onderhoud, uitval, lanceringen, grondcommunicatie, reparaties en de levensduur van onderdelen.
Ook de economie is onzeker.
De eigen analyse van Google stelt dat lanceerkosten richting het midden van de jaren 2030 mogelijk onder $200 per kilogram kunnen dalen als historische kostendalingen doorzetten.
Pas rond zo’n niveau zou een ruimtedatacenter volgens het model qua jaarlijkse kosten per kilowatt in de buurt kunnen komen van de energiekosten van een vergelijkbaar datacenter op aarde.
Dat is een scenario.
Geen prijsbelofte.
De AI-race wordt steeds meer een energierace
Dat maakt Project Suncatcher vooral interessant om wat het zegt over AI op aarde.
Het IEA verwacht dat datacenters tegen 2030 ongeveer 3% van het wereldwijde elektriciteitsverbruik voor hun rekening nemen.
In de Verenigde Staten kan bijna de helft van alle groei in stroomvraag tot 2030 van datacenters komen.
Wie meer AI wil bouwen, moet daarom steeds meer problemen tegelijk oplossen.
Je hebt chips nodig.
Maar ook stroomaansluitingen, transformatoren, koeling, grond en snelle verbindingen.
Eén ontbrekend onderdeel kan miljarden aan rekencapaciteit vertragen.
Nvidia is maar één deel van de keten
Dat verandert ook de concurrentie tussen Google, Nvidia en andere grote spelers.
Nvidia verkoopt de dominante AI-versnellers.
Google bouwt daarnaast zijn eigen TPU’s en kan daardoor chipontwerp, software, energiegebruik en datacenterontwerp nauwer op elkaar afstemmen.
TSMC zit verder terug in de productieketen.
ASML levert weer machines die nodig zijn om de modernste halfgeleiders überhaupt te produceren.
Maar zelfs de beste chip ter wereld verdient niets wanneer hij maanden in een magazijn ligt omdat er geen stroomaansluiting beschikbaar is.
Daar verschuift de macht.
Niet alleen bezit van chips telt.
Toegang tot energie telt steeds zwaarder.
Dat raakt ook cryptoprojecten rond compute
Daar zit ook de link met crypto.
Verschillende
altcoins proberen GPU-capaciteit via gedistribueerde marktplaatsen beschikbaar te maken.
Andere projecten gebruiken een
blockchain om aanbieders van rekenkracht en gebruikers met elkaar te verbinden.
Project Suncatcher bewijst niets over hun commerciële kansen.
Maar het bevestigt wel het probleem waarop veel van die projecten mikken: AI-compute wordt duur, schaars en sterk afhankelijk van fysieke capaciteit.
Daarmee stijgt de waarde van iedere partij die beschikbare rekenkracht beter kan benutten.
Een token creëert alleen geen megawatts
Hier moeten cryptobeleggers wel scherp blijven.
Een netwerk kan vraag en aanbod van GPU’s bij elkaar brengen.
Een token kan partijen belonen.
Maar software produceert geen elektriciteit.
Een decentraal computenetwerk heeft nog steeds fysieke chips, stroom, koeling en betrouwbare verbindingen nodig.
Hetzelfde probleem dat Google richting de ruimte duwt, verdwijnt dus niet omdat er een blockchain tussen zit.
De winnaar wordt niet automatisch het project met de slimste tokenverdeling.
De winnaar moet echte rekenkracht tegen een concurrerende prijs kunnen leveren.
Ruimtecompute laat zien waar de schaarste verschuift
Project Suncatcher is daarom groter dan het beeld van een TPU die rond de aarde vliegt.
Google is bereid raketten, satellieten, lasers en compleet nieuwe koelsystemen te onderzoeken om meer AI-rekenkracht mogelijk te maken.
Dat zegt veel over waar de volgende schaarste ontstaat.
De chiprace blijft.
Maar daar komt een energierace naast te staan.
Wanneer een van de grootste technologiebedrijven ter wereld serieus onderzoekt of AI-compute naar de ruimte moet, is stroom niet langer alleen een kostenpost. Het wordt een van de grenzen aan hoeveel AI überhaupt gebouwd kan worden.