De politie haalde in 2025 haar doel voor specialistische
cybercrime-opsporing niet. Tegelijk waarschuwen politie en OM dat cryptogeld in minuten over landsgrenzen kan verdwijnen, terwijl internationale opsporing veel langer kan duren.
Voor slachtoffers van cryptofraude legt dat een harde werkelijkheid bloot. Aangifte blijft belangrijk, maar wachten tot een strafrechtelijk onderzoek op gang komt kan kostbare tijd verspillen.
Politie haalt cybercrimedoel niet
In het
Jaarverslag 2025 van Justitie en Veiligheid staat dat 370 verdachten uit reguliere cybercrimeonderzoeken naar het OM gingen. Het doel lag op 400.
Dat is geen absolute daling. In 2024 ging het om 351 verdachten, waardoor het aantal in 2025 juist met ruim 5% steeg.
De geplande versnelling bleef alleen uit.
Bij de grotere fenomeenonderzoeken is de terugval sterker zichtbaar. Het aantal afgeronde onderzoeken zakte van 46 in 2024 naar 29 in 2025, tegenover een doel van 43.
Het aantal hightechcrimeonderzoeken bleef op twintig. Daarmee werd die doelstelling wel gehaald.
Cryptofraude valt niet altijd onder ‘cybercrime’
Daarbij is één onderscheid belangrijk.
Politie en OM gebruiken het woord cybercrime voor delicten waarbij computersystemen zelf een belangrijk doelwit zijn. Denk aan hacken, ransomware en DDoS-aanvallen.
Veel online beleggingsfraude valt onder gedigitaliseerde criminaliteit. Het internet is daar vooral het middel waarmee een bestaand delict wordt uitgevoerd.
Op dat terrein waren de cijfers heel anders.
Voor gedigitaliseerde criminaliteit lag het doel in 2025 op 2.700 verdachten. De daadwerkelijke uitkomst was 5.144.
Daarom is het te simpel om uit de 370 cybercrimeverdachten te concluderen dat de volledige opsporing van online of cryptofraude stilvalt.
Juist cryptostromen leggen de zwakke plek bloot
De moeilijkheid ontstaat zodra geld via verschillende landen en cryptodiensten beweegt.
Het nieuwe
Cybercrimebeeld Nederland 2026 van politie en OM noemt cryptovaluta een belangrijk vermogensbestanddeel binnen georganiseerde criminaliteit.
Dat beperkt zich niet tot hacks.
Crypto speelt volgens het rapport ook een rol bij
fraude, witwassen, mensenhandel en andere zware criminaliteit.
Voor opsporing heeft crypto een vreemde dubbele eigenschap.
Op een openbare
blockchain verdwijnen transacties niet zomaar. Oude geldstromen kunnen jaren later nog worden onderzocht.
Maar een walletadres vertelt niet automatisch wie de eigenaar is.
Daarvoor kunnen gegevens nodig zijn van een
crypto-exchange, aanbieder of andere partij waar het geld passeerde.
Criminelen wisselen snel tussen diensten
Politie en OM beschrijven hoe criminelen crypto snel verplaatsen tussen verschillende blockchains, exchanges, swappers en mixers.
Geen enkele analysetool geeft volgens het rapport volledig zicht op al die transacties. Rechercheurs hebben daardoor meerdere systemen én mensen nodig die de uitkomsten correct kunnen interpreteren.
Daar komt nog een probleem bij.
Sommige cryptodiensten zijn moeilijk te lokaliseren. Een bedrijfsnaam of vestigingsadres op een website betekent niet automatisch dat lokale autoriteiten daar een bruikbare onderneming aantreffen.
Diensten kunnen bovendien van vestigingsland veranderen.
Iedere verhuizing kan betekenen dat Nederlandse opsporingsdiensten opnieuw bij andere buitenlandse autoriteiten moeten aankloppen.
Tien minuten voor criminelen, maanden voor opsporing
Het Cybercrimebeeld maakt het verschil in snelheid bijzonder tastbaar.
Bij een gereguleerde exchange kunnen klantgegevens beschikbaar zijn. Zit die exchange in het buitenland, dan kan het OM voor gegevens of beslag afhankelijk zijn van een formeel rechtshulpverzoek.
Volgens politie en OM kan zo'n traject veel tijd kosten.
Het rapport zet daar een harde vergelijking tegenover: waar een crimineel crypto in ongeveer tien minuten opnieuw kan verplaatsen, kan de opsporing bij een vordering al snel drie maanden verder zijn.
Dat betekent niet dat iedere zaak drie maanden duurt.
Het laat wel zien waarom snelheid rond digitale geldstromen zoveel verschil kan maken.
Crypto-expertise zit nog bij te weinig mensen
Politie en OM zien ook intern een probleem.
In het Cybercrimebeeld schrijven zij dat specialistische kennis over crypto en AI nog te vaak bij een kleine groep medewerkers zit. Financieel rechercheren moet daarom vaker vanaf het begin onderdeel zijn van een onderzoek.
Dat is relevant voor slachtoffers.
Een walletadres of transactiehash lijkt voor een leek misschien een betekenisloze reeks tekens. Voor een gespecialiseerd onderzoek kan precies die informatie het begin zijn van een route naar andere adressen, exchanges of personen.
Wie zulke gegevens niet bewaart, kan later bruikbare aanknopingspunten missen.
Aangifte blijft dus wel degelijk belangrijk
De achterblijvende doelstellingen betekenen niet dat aangifte zinloos is.
Politie en OM schrijven juist dat tijdig inschakelen van de politie de kans op opsporing en vervolging kan vergroten. Ook meldingen kunnen zaken aan elkaar koppelen wanneer dezelfde adressen, accounts of daders bij meerdere slachtoffers terugkomen.
Slachtofferhulp Nederland adviseert slachtoffers van beleggings- en bitcoinfraude eveneens om direct te stoppen met betalen, bewijs te verzamelen en aangifte te doen.
Vooral bij een gewone bankoverschrijving kan snelheid helpen. Een bank kan soms nog proberen een betaling tegen te houden.
Bij een cryptotransactie is terugboeken volgens Slachtofferhulp vrijwel onmogelijk.
Dit moet je in de eerste uren veiligstellen
Wie ontdekt dat een investering of cryptoplatform vermoedelijk nep is, moet vooral voorkomen dat bewijs verdwijnt.
-
Bewaar walletadressen, transactiehashes en gegevens van cryptoplatforms.
-
Maak screenshots van chats, e-mails, websites, namen en telefoonnummers.
-
Neem direct contact op met bank en politie en betaal geen extra bedrag om geld ‘vrij te geven’.
Verwijder ook geen gesprekken omdat je het contact wilt afsluiten. Juist Telegram-, WhatsApp- of e-mailberichten kunnen later aantonen hoe betalingen tot stand kwamen.
Een
wallet alleen vertelt immers niet het hele verhaal. De combinatie van betalingsgegevens, communicatie en accountinformatie kan veel sterker zijn.
AFM ziet meerdere cryptotrucs terugkomen
De
AFM waarschuwt voor meerdere vormen van cryptofraude.
Daaronder vallen nepplatforms, valse walletapps en criminelen die zich via WhatsApp of Telegram voordoen als medewerkers van een cryptobedrijf.
Ook recoveryfraude blijft terugkomen.
Daarbij wordt een eerder slachtoffer opnieuw benaderd. Een zogenaamde specialist belooft verloren crypto terug te halen, maar vraagt eerst een betaling of toegang tot apparatuur.
Wie één keer slachtoffer is geworden, kan daardoor direct op een nieuwe fraude worden gericht.
Fraudehelpdesk kreeg ruim 100.000 meldingen
De omvang van het bredere probleem is groot.
De
Fraudehelpdesk registreerde in 2025 101.734 meldingen. Een jaar eerder waren dat er 63.469.
Het aantal financieel gedupeerden steeg naar 15.116. Het gemelde schadebedrag liep op tot ruim €68,49 miljoen.
Crypto kwam daarbij niet alleen terug bij beleggingsfraude. De Fraudehelpdesk zag het ook bij helpdeskfraude, recoveryfraude en hacking.
Dat maakt de scheidslijn tussen ‘cryptofraude’ en andere online criminaliteit steeds minder bruikbaar voor slachtoffers.
Hetzelfde walletadres kan onderdeel zijn van een beleggingsverhaal, een hack of een tweede poging om zogenaamd verloren geld terug te halen.
Meer capaciteit lost niet alles op
De overheid heeft dus twee problemen tegelijk.
Er zijn minder fenomeenonderzoeken afgerond dan gepland. Tegelijk worden grote onderzoeken technisch zwaarder en vaker afhankelijk van buitenlandse partners.
Meer mensen alleen lossen dat niet volledig op.
Politie en OM vragen zelf om bredere crypto-kennis, betere toegang tot analysetools en snellere samenwerking met buitenlandse diensten en private partijen.
Voor een slachtoffer blijft de praktische conclusie harder.
De politie kan maanden later nog veel aan een blockchainspoor hebben. Maar een exchangeaccount kan dan leeg zijn, een website verdwenen en een dader alweer via drie andere diensten zijn gegaan.
Aangifte is daarom geen reden om zelf niets meer te doen.
Bij cryptofraude begint de eerste bewijsactie niet wanneer een rechercheur belt, maar op het moment dat het slachtoffer ontdekt dat het geld waarschijnlijk weg is.