Brussel wil minder afhankelijk worden van Amerikaanse cloud, Chinese chips en gesloten AI-stacks. Dat maakt publieke
blockchains niet zwakker, maar juist interessanter.
De paradox is simpel. Europa zoekt controle, maar ontdekt dat controle soms begint bij netwerken die niemand alleen bezit.
Soevereiniteit betekent niet dat elke digitale laag Europees eigendom moet zijn. Soms betekent het dat geen enkele buitenlandse partij de schakelaar alleen kan omzetten.
Brussel zet autonomie centraal
De Europese Commissie presenteerde op 3 juni het
Tech Sovereignty Package. Dat pakket richt zich op halfgeleiders, AI, cloud en open source.
De Commissie omschrijft techsoevereiniteit als het vermogen om onafhankelijk te handelen in de digitale wereld. Daarbij draait het om technologie, data en kritieke digitale lagen.
Frankrijk trekt die lijn door met geld. Via de derde fase van
de Tibi-initiatieven wordt €13 miljard extra gemobiliseerd voor Franse en Europese techbedrijven.
Dat is stevige politiek. Maar geld alleen bouwt geen open netwerk.
Open source verraadt de echte denkrichting
Het opvallendste deel zit bij open source. De Commissie koppelt haar
EU Open Source Strategy direct aan digitale autonomie.
Dat is belangrijk. Open source zegt: controle komt niet alleen uit bezit, maar uit transparantie, reproduceerbare code en publieke toetsing.
Publieke blockchains passen precies in die logica. De regels zijn zichtbaar, transacties zijn controleerbaar en toegang hangt niet af van één poortwachter.
Dat maakt ze niet perfect. Het maakt ze wel nuttig in een Europa dat te vaak afhankelijk is van gesloten platforms.
Autarkie wordt snel duur
De tegenwerping uit de industrie is scherp. Te veel “Made in Europe” kan kosten verhogen en markten kleiner maken.
Topautobouwers waarschuwden deze week dat een te harde Europese techlijn de sector duurder en minder schaalbaar kan maken. Volvo en Stellantis wezen daarbij op hogere kosten en risico op marktfragmentatie.
Dat punt raakt
crypto direct. Een volledig gesloten Europese digitale stack klinkt sterk, maar kan traag, duur en geïsoleerd worden.
Publieke blockchains bieden een ander model. Open toegang, wereldwijde liquiditeit en Europese regels aan de randen.
ECB ziet de markt groeien
De ECB ziet dat tokenisatie niet meer alleen een proefballon is. In april schreef de centrale bank dat tokenized assets op publieke blockchains stegen van €7,4 miljard begin 2024 naar €38 miljard in februari 2026.
Dat blijft klein tegenover traditionele markten. Maar het is niet meer te klein om te negeren.
De Europese Commissie schrijft zelf dat DLT en tokenisatie betaal- en settlementfricties kunnen verlagen. Ook noemt zij programmeerbaarheid en een mogelijk “internet of value” in haar
stuk over DLT en tokenisatie.
Europa praat dus niet alleen over controle. Het test al hoe waarde op nieuwe rails kan bewegen.
Ethereum kreeg al een Europese rol
De EIB gebruikte Ethereum al in 2021 voor een digitale obligatie op een publieke
blockchain. De bank werkte daarbij samen met Goldman Sachs, Santander en Société Générale.
Dat was geen memeproject. Dat was een Europese publieke bank die publieke blockchainrails testte voor kapitaalmarkten.
ESMA houdt sinds 23 maart 2023 ook het
DLT Pilot Regime open. Dat regime geeft ruimte voor handels- en afwikkelsystemen op DLT.
De richting is dus al zichtbaar. Europa wil regels, maar sluit publieke netwerken niet uit.
Publiek is niet automatisch Europees
Daar zit wel de harde nuance. Een publieke blockchain is niet Europees in staatsrechtelijke zin.
Validators, ontwikkelaars, stablecoins en custody zitten vaak verspreid over de wereld. Dollarstablecoins domineren nog steeds veel tokenized-moneyverkeer.
Maar dat maakt publieke blockchains niet nutteloos voor Europa. Het betekent dat Europa de randen goed moet regelen.
Denk aan euro-settlement,
MiCA, custody, identiteit, toezicht en open standaarden. Niet alles hoeft Europees bezit te zijn om Europese keuzevrijheid te vergroten.
Benelux kan hiervan profiteren
Voor Nederland, België en Luxemburg is dit extra relevant. Deze landen winnen zelden bij gesloten blokvorming.
Ze winnen bij open standaarden, handel, financiële verbindingen en betrouwbare regels. Precies daar kunnen publieke blockchains waarde krijgen.
Luxemburg kan vergunningen en fondskennis koppelen aan tokenisatie. Nederland kan toezicht en technische standaarden leveren. België kan als markt en beleidsknooppunt meebewegen.
Dat is geen nationalistische route. Het is een praktische route.
De echte les voor crypto
Crypto moet dit verhaal wel volwassen vertellen. Niet elke chain wordt ineens strategisch voor Europa.
Veel projecten blijven marketing met een wallet. Veel “onchain-soevereiniteit” leunt nog steeds op dollarstablecoins en niet-Europese dienstverleners.
Maar de grote lijn is helder. Hoe harder Europa merkt dat volledige zelfvoorziening duur en traag is, hoe aantrekkelijker open, controleerbare netwerken worden.
Soevereiniteit in netwerken gaat niet alleen over bezit. Het gaat over toegang, toetsing en het vermijden van één dominante schakelaar.
Daarom kan Brussel, misschien tegen zijn eigen instinct in, publieke blockchains juist harder nodig krijgen.