Je account toont 0,5
Bitcoin. Maar betekent dat juridisch ook dat die halve Bitcoin van jou is wanneer de exchange failliet gaat?
Juist die vraag komt na het faillissement van
Knaken opnieuw boven tafel. Een nieuwe analyse van Leiden Law Blog stelt dat crypto onder het Nederlandse goederenrecht niet automatisch als eigendom van de klant kan gelden.
Dat verschil wordt pas echt pijnlijk zodra een handelsplatform omvalt.
Wie geen eigendomsclaim heeft op specifieke activa, kan uiteindelijk slechts een vordering op de failliete onderneming overhouden.
Knaken maakt een theoretisch probleem plotseling praktisch
De rechtbank Rotterdam verklaarde Knaken Cryptohandel B.V. en de gelieerde Stichting Knaken Payments op 16 juli 2026 failliet.
Het Openbaar Ministerie had het faillissement aangevraagd.
Volgens het OM ontbrak ongeveer €7 miljoen aan klanttegoeden. De rechtbank stelde daarnaast vast dat sprake was van een aanzienlijk dekkingstekort en dat Knaken onvoldoende vermogen had om klanten volledig terug te betalen.
Klanten konden op dat moment ook niet meer bij hun accounts.
Daarmee kreeg een ingewikkelde juridische vraag direct financiële gevolgen.
Wat betekent het saldo in een cryptorekening eigenlijk wanneer de partij achter die rekening failliet gaat?
Nederlands recht kent eigendom alleen van ‘zaken’
Rens Kluijtmans behandelt precies die vraag in een op 29 september verschenen analyse voor Leiden Law Blog.
Het probleem begint bij artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek.
Daar staat dat zaken voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zijn.
Crypto voldoet volgens Kluijtmans niet aan dat stoffelijke vereiste.
Een
Bitcoin of
Ethereum bestaat niet als tastbaar object.
Een private key kan iemand wel feitelijke controle geven over digitale assets, maar maakt die assets volgens deze juridische redenering nog geen stoffelijke zaak.
Dat betekent niet dat crypto juridisch niets waard is
Hier is precisie belangrijk.
De analyse zegt niet dat crypto waardeloos is of dat iemand geen rechten kan hebben tegenover een handelsplatform.
Het punt gaat specifiek over eigendom in de technische betekenis van het Nederlandse goederenrecht.
Een klant kan bijvoorbeeld contractuele rechten of een vordering hebben.
Maar zo'n vordering is iets anders dan zeggen: deze specifieke bitcoins behoren goederenrechtelijk aan mij toe en horen daarom niet bij het vermogen van de failliete onderneming.
Bij een faillissement kan dat onderscheid enorm worden.
Een eigenaar staat anders dan een gewone schuldeiser
Stel dat activa juridisch van de klant zijn en correct buiten het vermogen van een onderneming worden gehouden.
Dan kunnen schuldeisers van die onderneming daar in beginsel niet zomaar aanspraak op maken.
Een gewone schuldeiser staat zwakker.
Die dient een vordering in bij de curator en moet vervolgens afwachten hoeveel geld na de afwikkeling beschikbaar blijft.
Kluijtmans concludeert daarom dat het ontbreken van een klassieke eigendomsclaim Nederlandse cryptoklanten bij insolventie kwetsbaar kan maken.
Dat betekent niet dat iedere klant bij ieder faillissement automatisch concurrent schuldeiser is.
De exacte uitkomst hangt onder meer af van contracten, custody-opzet, administratie en de manier waarop klantactiva werkelijk zijn aangehouden.
MiCA lijkt klanten juist bescherming te geven
Dan ontstaat een vreemde botsing.
De Europese
MiCA-regels schrijven juist voor dat aanbieders die crypto van klanten houden maatregelen moeten nemen om de rechten van die klanten te beschermen.
Artikel 70 bepaalt dat cryptodienstverleners adequate regelingen moeten hebben om de eigendomsrechten van cliënten te beschermen, vooral bij insolventie.
Voor custody gaat MiCA nog verder.
Artikel 75 verplicht aanbieders klantcrypto te scheiden van hun eigen bezit. De verordening zegt dat de crypto juridisch afgescheiden moet zijn van het vermogen van de aanbieder, overeenkomstig het toepasselijke recht, zodat schuldeisers van de aanbieder er bij insolventie geen verhaal op hebben.
Precies die laatste toevoeging maakt de Nederlandse vraag interessant.
MiCA creëert mogelijk niet zelf een Nederlands eigendomsrecht
Volgens Kluijtmans lost de Europese formulering het nationale goederenrecht niet automatisch op.
Hij vergelijkt MiCA met Europese regels voor traditionele beleggingen.
Ook daar schrijft EU-recht voor dat rechten van klanten beschermd moeten worden, zonder dat dit noodzakelijk zelfstandig een nieuw Nederlands eigendomsrecht creëert voor een type bezit dat daar nationaal niet voor in aanmerking komt.
Zijn conclusie is daarom scherp.
MiCA kan aanbieders verplichten activa te scheiden en klantposities te beschermen, terwijl de onderliggende Nederlandse vraag naar eigendom daarmee nog niet volledig is opgelost.
Dat is juridische analyse, geen definitieve rechterlijke uitspraak over crypto onder MiCA.
Voor Knaken zit daar nog een extra complicatie
Klanten van Knaken kunnen bovendien niet simpelweg stellen dat zij bij een volledig vergunde MiCA-aanbieder zaten.
Het Openbaar Ministerie meldde bij de faillissementsaanvraag expliciet dat Knaken voor zijn activiteiten een vergunning van de AFM nodig had, maar die niet had verkregen.
De AFM geeft aan dat aanbieders van cryptoactivadiensten een MiCA-vergunning of geldige notificatie nodig hebben om de betreffende diensten in
Nederland te mogen aanbieden.
Dat onderscheid is belangrijk.
Het faillissement van Knaken maakt het eigendomsvraagstuk zichtbaar, maar is niet automatisch een zuivere test van hoe de bescherming bij een correct vergunde MiCA-custodian in de praktijk uitpakt.
Een vergunning verandert dus wel degelijk iets
Dat betekent niet dat MiCA tandeloos is.
Een vergunde aanbieder moet procedures hebben voor scheiding van klantactiva.
De Europese uitvoeringsregels verlangen onder meer dat wallets met klantcrypto van de eigen wallets van de aanbieder worden onderscheiden. Ook moeten aanbieders uitleggen hoe zij cryptografische sleutels beschermen en hoe omnibus-wallets worden beheerd.
Dat verkleint het risico dat klantcrypto administratief volledig wordt vermengd met bezit van het bedrijf.
Maar regelgeving over bewaring en scheiding is nog niet noodzakelijk hetzelfde als een fundamentele herziening van het Nederlandse goederenrecht.
Een saldo op je account is niet hetzelfde als een eigen wallet
Voor beleggers zit daar een praktische les.
Wanneer crypto bij een handelsplatform staat, ziet de klant meestal een saldo in een account.
Dat betekent niet noodzakelijk dat op de
blockchain een afzonderlijk adres bestaat waarop precies die hoeveelheid namens die ene klant wordt gehouden.
Platforms kunnen omnibus-wallets gebruiken waarin assets van veel klanten gezamenlijk worden bewaard.
De interne administratie bepaalt dan welk deel economisch aan welke klant wordt toegerekend.
MiCA staat zulke structuren toe, mits aanbieders correct registreren en scheiden welke posities aan cliënten toebehoren.
Bij faillissement wordt de kwaliteit van die administratie opeens zeer belangrijk.
Self-custody haalt het platformrisico uit de vergelijking
Bij een eigen
wallet ligt het praktische probleem anders.
Wie zelf de private keys beheert, is voor toegang tot die crypto niet afhankelijk van het failliete handelsplatform.
Dat lost niet automatisch iedere theoretische Nederlandse goederenrechtelijke vraag over het begrip eigendom op.
Het haalt wel de boedel van een centrale cryptodienstverlener uit de directe keten.
De bekende uitspraak not your keys, not your coins krijgt daarmee naast een technisch ook een juridisch randje.
Japan koos uiteindelijk voor een andere route
Nederland is niet het eerste land waar deze vraag speelt.
Kluijtmans wijst naar Japan.
Daar werd na de juridische nasleep rond Mt. Gox geoordeeld dat bitcoin onder het toenmalige systeem niet op de traditionele manier voor eigendom in aanmerking kwam.
De Japanse wetgever paste daarna de regels aan om crypto een duidelijkere juridische positie te geven.
Kluijtmans stelt dat Nederland eveneens kan overwegen de wet explicieter te maken.
Dat is op dit moment een voorstel in een juridische publicatie.
Er ligt hiermee niet automatisch een Nederlands wetsvoorstel.
Knaken kan meer duidelijkheid afdwingen
Juist daarom kan de verdere afwikkeling van Knaken interessant worden.
De curator zal moeten vaststellen welke bezittingen aanwezig zijn, welke aanspraken klanten hebben en hoe de verschillende geld- en cryptostromen juridisch moeten worden behandeld.
Of daar uiteindelijk een rechterlijke uitspraak uit voortkomt die breder duidelijkheid geeft over eigendom van crypto, staat nog niet vast.
Maar het faillissement legt wel bloot dat de vraag geen academische luxe is.
Voor klanten kan het verschil uiteindelijk bepalen of zij een specifiek bezit terugvragen of aansluiten in de rij van schuldeisers.
‘Mijn Bitcoin’ blijkt juridisch ingewikkelder dan het scherm zegt
Een exchange-account maakt bezit eenvoudig zichtbaar.
Er staat een aantal
BTC, ETH of andere tokens en daaronder een eurowaarde.
Het Nederlandse recht kijkt mogelijk anders naar precies dezelfde positie.
MiCA probeert klantcrypto beter af te schermen en verplicht vergunde aanbieders tot vergaande scheiding.
Maar volgens de nieuwe Leidse analyse blijft daaronder een fundamentelere vraag liggen die Nederland nog niet helder heeft opgelost.
Op het scherm kan crypto van jou zijn. Bij een faillissement wordt pas duidelijk hoeveel juridische betekenis dat woord ‘van’ werkelijk heeft.