Een verlies op
crypto kan onder de huidige
Box 3-regels niet worden teruggebracht naar een eerder winstjaar. FVD-Kamerlid Pepijn van Houwelingen wil dat veranderen en vraagt tegelijk waarom cryptoactiva niet onder een vermogenswinstbelasting vallen.
Hij stelde daarover op 7 oktober
twee schriftelijke vragen aan de staatssecretaris van Financiën. Er ligt nog geen antwoord en de belastingregels veranderen door de vragen zelf niet.
Waarom valt crypto niet onder vermogenswinstbelasting?
De eerste vraag raakt de hervorming van Box 3.
Van Houwelingen verwijst naar cryptoactiva zoals die in MiCA en de Wet op het financieel toezicht worden omschreven. Hij vraagt waarom die niet als financiële instrumenten onder een vermogenswinstbelasting worden geplaatst.
Dat onderscheid bepaalt wanneer
belasting wordt geheven.
Bij een vermogensaanwasbelasting telt ook een waardestijging mee voordat een belegger verkoopt. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardeverandering in beginsel belast wanneer de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Het
huidige wetsvoorstel voor Box 3 gebruikt voor de meeste beleggingen vermogensaanwas. Vermogenswinstbelasting is daarin onder meer voorzien voor vastgoed en bepaalde aandelen in startups en scale-ups.
Crypto wordt in die uitzonderingen niet apart genoemd.
Het kabinet onderzoekt wel hoe een bredere vermogenswinstbelasting eruit zou kunnen zien. Het antwoord op de Kamervragen moet duidelijk maken hoe crypto binnen die discussie wordt beoordeeld.
Tweede vraag draait om verlies uit een later jaar
Van Houwelingen vraagt daarnaast om achterwaartse verliesverrekening voor cryptoactiva.
Daarmee zou een verlies uit een later jaar kunnen worden verrekend met positief rendement waarover in een eerder jaar belasting is betaald.
Een eenvoudig voorbeeld laat het verschil zien.
Een belegger behaalt in jaar één €10.000 rendement op crypto. In jaar twee volgt een verlies van €10.000.
Over beide jaren samen is het resultaat nul. Zonder achterwaartse verrekening kan de belasting over het eerste winstjaar echter niet automatisch met het latere verlies worden teruggedraaid.
Huidige regeling stopt bij de jaargrens
Onder de huidige regeling kijkt de Belastingdienst per kalenderjaar naar het werkelijke rendement van het totale Box 3-vermogen.
Winst op de ene bezitting en verlies op een andere kunnen binnen hetzelfde jaar tegen elkaar wegvallen. Is het totale werkelijke rendement negatief, dan wordt het op nul gezet.
Dat negatieve bedrag verhuist niet mee naar een ander belastingjaar.
De
Belastingdienst schrijft expliciet dat een negatief werkelijk rendement uit het ene jaar niet met een ander jaar mag worden verrekend.
Voor volatiele bezittingen zoals crypto kan dat verschil groot zijn.
Sterke koerswinsten en -verliezen vallen immers niet noodzakelijk binnen hetzelfde kalenderjaar.
Nieuwe Box 3-wet kent wel voorwaartse verrekening
Vanaf 2028 wil het kabinet overstappen naar de Wet werkelijk rendement Box 3.
De
Tweede Kamer nam dat wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan. De Eerste Kamer heeft het voorstel behandeld, maar nog niet definitief aangenomen.
In het voorstel mogen verliezen wel worden meegenomen naar toekomstige jaren.
Een negatief Box 3-resultaat kan dan worden verrekend met positief Box 3-inkomen dat later ontstaat.
Dat is iets anders dan wat Van Houwelingen vraagt.
Hij wil juist dat een later cryptoverlies kan terugwerken naar een eerder winstjaar.
Vragen komen terwijl Box 3 nog wordt aangepast
De timing is daardoor relevant.
Het kabinet houdt 1 januari 2028 als beoogde startdatum voor het nieuwe stelsel, maar onderzoekt nog wijzigingen. Daarbij wordt ook gekeken naar alternatieven binnen de vermogensaanwasbelasting en naar een bredere vermogenswinstbelasting.
De Kamervragen raken dus twee onderdelen die nog niet volledig vastliggen: wanneer koerswinst op crypto wordt belast en over welke jaren verliezen mogen worden verrekend.
Voor cryptobezitters verandert vandaag niets.
Eerst moet de staatssecretaris antwoorden. Daarna zou voor een daadwerkelijke wijziging van de belastingregels nog politieke besluitvorming en, waar nodig, aanpassing van wetgeving moeten volgen.
De twee vragen leggen wel een concreet probleem op tafel: bij een bezit dat het ene jaar hard stijgt en het volgende jaar even hard daalt, kan de grens van 31 december fiscaal zwaarder wegen dan het resultaat over de volledige periode.