Een aandelenbelegger kan vanaf 2028 mogelijk wachten met
belasting betalen tot verkoop. Wie rechtstreeks bitcoin bezit, dreigt nog twee jaar te worden afgerekend op winst die alleen op papier bestaat.
Dat verschil staat nergens letterlijk als cryptomaatregel aangekondigd. Toch ontstaat die mogelijkheid door de nieuwe Box 3-koers die het kabinet op 29 september presenteerde.
Premier Rob Jetten, minister van Financiën Eelco Heinen en staatssecretaris Eelco Eerenberg kondigden in een
nieuwe Kamerbrief een novelle aan op de Wet werkelijk rendement box 3. Vanaf 2028 moet de vermogenswinstbelasting worden uitgebreid naar alle financiële instrumenten, waaronder aandelen, obligaties en opties.
Daarmee valt volgens het kabinet circa 90% van het Box 3-vermogen waarop waardeontwikkeling plaatsvindt onder die methode. Voor de overige vermogensbestanddelen volgt volgens de brief in 2030 een volledige overstap.
En precies tussen 2028 en 2030 ontstaat de vraag waar rechtstreeks aangehouden crypto terechtkomt.
Aandelen schuiven op, bitcoin wordt niet genoemd
Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardestijging in beginsel belast wanneer de winst wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop. Een vermogensaanwasbelasting rekent juist ieder jaar met de waardeverandering, ook als een belegger niets verkoopt.
Het oorspronkelijke voorstel voor de Wet werkelijk rendement box 3 kiest die tweede methode als hoofdregel. Alleen bepaalde uitzonderingen, zoals vastgoed en aandelen in startende ondernemingen, vallen daar buiten. De
memorie van toelichting noemt cryptovaluta bij de overige Box 3-bezittingen waarop die hoofdregel van toepassing is.
Ook tijdens de parlementaire behandeling zei de toenmalige staatssecretaris expliciet dat cryptobezit in het toekomstige stelsel onder de vermogensaanwasbelasting valt.
De nieuwe brief verandert dat voor financiële instrumenten. Aandelen, obligaties en opties worden expliciet genoemd. Crypto niet.
Dat betekent nog niet dat bitcoin definitief buiten de wijziging valt. De novelle moet de precieze afbakening nog vastleggen en daarna door het parlement.
De huidige fiscale indeling maakt de vraag wel concreet. De
Belastingdienst rekent cryptobezittingen van particulieren tot Box 3.
Dezelfde koerswinst, mogelijk een ander belastingmoment
Neem twee beleggers met ieder €100.000.
De eerste koopt aandelen. De tweede koopt bitcoin. Beide posities stijgen in één kalenderjaar met 25%, maar niemand verkoopt.
Valt het aandeel vanaf 2028 onder de aangekondigde vermogenswinstbelasting, dan wordt de koerswinst in beginsel pas relevant wanneer die winst wordt gerealiseerd.
Blijft rechtstreeks aangehouden bitcoin nog onder de vermogensaanwasbelasting, dan kan die €25.000 waardestijging al meetellen voor dat belastingjaar. De cryptobelegger heeft dan nog geen euro aan koerswinst verzilverd.
Het uiteindelijke belastingbedrag is nu niet verantwoord te berekenen. Tarieven, verliesverrekening, verkrijgingsprijzen en de tekst van de novelle moeten daarvoor eerst vaststaan.
Het verschil in timing is wel duidelijk.
Een belegger onder een vermogenswinstbelasting kan verkoop en belastingheffing dichter bij elkaar houden. Onder vermogensaanwas kan een belastingclaim ontstaan terwijl de winst nog volledig in het bezit zit.
Voor bitcoin is dat geen detail. Grote waardebewegingen kunnen ervoor zorgen dat een papieren winst later alweer grotendeels verdwenen is.
Twee jaar kan bij crypto veel verschil maken
Het kabinet wil de overige vermogensbestanddelen in 2030 eveneens onder een volledige vermogenswinstbelasting brengen. Een eventueel verschil vanaf 2028 zou daarmee tijdelijk zijn.
Maar twee belastingjaren kunnen bij crypto flinke waardeschommelingen bevatten.
Daar komt nog een tweede probleem bij. Beleggers kunnen economische blootstelling aan bitcoin op verschillende manieren krijgen.
Iemand kan bitcoin rechtstreeks in een wallet bewaren. Een ander kan een beursgenoteerd financieel product kopen dat de bitcoinprijs volgt.
Als het beursproduct fiscaal onder de financiële instrumenten valt en rechtstreeks bitcoinbezit niet, kan vrijwel dezelfde prijsblootstelling een ander belastingmoment krijgen.
Of dat daadwerkelijk gebeurt, hangt volledig af van de definities in de novelle.
De Belastingdienst krijgt juist meer zicht op crypto
Een argument voor verschillende behandeling kan in de uitvoering zitten.
Voor een vermogenswinstbelasting zijn gegevens nodig over aankoopprijzen, verkopen en historische verkrijgingsprijzen. Banken en brokers beschikken vaak al over veel van die gegevens.
Crypto kan verspreid staan over meerdere exchanges en zelf beheerde wallets. Munten kunnen bovendien tussen adressen worden verplaatst zonder dat sprake is van verkoop.
Toch wordt die informatiekloof kleiner.
Door
DAC8 moeten cryptodienstverleners sinds 1 januari 2026 gegevens over klanten en transacties verzamelen. De eerste rapportages over 2026 volgen in 2027.
Daarmee krijgt de Belastingdienst meer zicht op onder meer omwisseltransacties en bepaalde overboekingen.
DAC8 verandert de fiscale behandeling van crypto zelf niet.
Het tijdpad is uitzonderlijk krap
Ook voor traditionele financiële producten is de uitvoering nog niet klaar.
Het kabinet schrijft dat banken in ten minste het eerste invoeringsjaar niet alle benodigde gegevens kunnen aanleveren voor de vooraf ingevulde aangifte. De novelle moet bovendien vóór 31 december 2026 door de Eerste Kamer zijn aangenomen om het gekozen tijdpad te halen.
Dat maakt 2028 nog geen zekerheid. De maatregel moet eerst worden uitgewerkt en beide Kamers moeten ermee instemmen.
Voor cryptobezitters is daardoor vooral één vraag relevant: wat verstaat de novelle straks precies onder een financieel instrument?
Als rechtstreeks aangehouden bitcoin buiten die definitie blijft, kunnen aandelen en crypto vanaf 2028 tijdelijk volgens twee verschillende belastingmomenten worden behandeld.
De Kamerbrief maakt die tweedeling nog niet tot wet. Maar voor het eerst ligt er wel een concreet tijdpad waarbinnen ze kan ontstaan.