Crypto-oplichting stopt niet bij een onbekend walletadres. Een rechter kan een platform dwingen om de klantlaag daarachter te openen.
De rechtbank Midden-Nederland helpt nu een slachtoffer dat €125.000 aan cryptovaluta kwijt zegt te zijn. Dat maakt deze zaak relevant voor iedere belegger die denkt dat aangifte genoeg is.
De belangrijkste feiten op een rij:
-
€125.000: Het slachtoffer stelt dat dit bedrag aan cryptovaluta is weggesluisd.
-
Klantdata: Het platform moet onder meer namen, ID-gegevens, IP-adressen en mutaties delen.
-
Dwangsom: Niet meewerken kan oplopen tot maximaal €150.000.
Slachtoffer krijgt steun van de rechter
De zaak draait om een vrouw die in 2025 via een digitaal platform belegde. Volgens haar werd haar crypto zonder toestemming doorgestuurd naar accounts op een exchangeplatform.
Zij vroeg het platform eerder om accounts te bevriezen en identiteiten te delen. Daar kwam geen reactie op.
Daarom stapte zij naar de civiele rechter. In de
uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland staat dat zij voldoende belang heeft bij de gevraagde gegevens.
Blockchainanalyse maakt het verzoek concreet
De rechter kijkt niet alleen naar het verhaal van het slachtoffer. Uit blockchainanalyse zou blijken dat de overboekingen naar het cryptoplatform liepen.
Dat maakt het verzoek sterker. Het gaat niet om een losse verdenking, maar om adressen, transacties en een afgebakende periode.
Zonder klantgegevens kan het slachtoffer moeilijk bepalen wie zij moet aanspreken. Precies daar geeft de rechtbank ruimte.
Platform moet vergaande data delen
Het bevel gaat verder dan alleen naam en adres. Het platform moet volledige voornamen, achternaam, geboortedatum en laatst bekende woonadres geven.
Ook het identiteitsbewijs uit de onboarding moet worden verstrekt. Daarbovenop komen foto of gezichtsscan, IP-adres, telefoonnummer en e-mailadres.
Daarnaast moet het platform mutatieoverzichten delen over 15 juli 2025 tot en met 9 juni 2026. Dat kan helpen om geldstromen verder te reconstrueren.
Buitenland houdt de zaak niet tegen
De betrokken bedrijven zitten niet in
Nederland. Eén partij is gevestigd in Saint Vincent en de Grenadines, de andere in Malta.
Toch acht de rechtbank zich bevoegd. De schade is volgens de rechter in Nederland ingetreden.
Dat is belangrijk voor slachtoffers. Een buitenlands platform is niet automatisch buiten bereik van een Nederlandse procedure.
Dwangsom zet druk op naleving
Het platform krijgt veertien dagen na betekening om te leveren. Doet het dat niet, dan volgt een dwangsom.
Die begint bij €20.000. Daarna komt er €10.000 per dag bij zolang de overtreding doorgaat.
Het maximum ligt op €150.000. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Niet elk slachtoffer krijgt dit automatisch
Deze uitspraak opent geen gratis loket. Een slachtoffer moet het verzoek goed onderbouwen.
Walletadressen, transacties, mails, betaalbewijzen en contactmomenten maken het verschil. Hoe concreter het spoor, hoe sterker de vordering.
Slachtofferhulp Nederland adviseert bij
beleggingsfraude en bitcoinfraude ook om bewijs te verzamelen en verdere schade te beperken.
Aangifte is vaak niet genoeg
Aangifte blijft nodig. Maar bij cryptofraude kan een civiele stap daarnaast hard nodig zijn.
De politie zoekt naar strafbare feiten. De civiele rechter kan helpen om gegevens los te krijgen voor schadeverhaal.
Dat verschil telt. Wie weet wie achter een account zit, kan gerichter procederen of beslag proberen te leggen.
De les voor cryptobeleggers
Bewaar alles. Transactiecodes, walletadressen, screenshots, chatgesprekken, e-mails en betaalbewijzen horen direct in een dossier.
Crypto beweegt snel. Juridisch bewijs moet daarna nog steeds langzaam en netjes worden opgebouwd.
Deze zaak laat zien dat een platform niet zomaar stil kan blijven. Ook niet wanneer de entiteiten achter dat platform buiten Nederland zitten.
Voor slachtoffers is dat geen garantie op geld terug. Het is wel een route naar iets wat bij cryptofraude vaak ontbreekt: een naam achter de wallet.