Eén rekening, één gekoppelde bankrekening en in eerste instantie alleen betalingen tussen consumenten. Nederlandse banken willen de
digitale euro veel kleiner laten beginnen dan Brussel en Frankfurt technisch mogelijk maken.
De Nederlandse Vereniging van Banken waarschuwt dat een te breed systeem banken geld kan kosten, deposito’s kan wegtrekken en bestaande Europese betaaloplossingen kan verdringen. De boodschap komt terwijl de laatste onderhandelingen tussen Europees Parlement, Raad en Commissie al lopen.
Banken willen geen ‘big bang’
De NVB legde op 9 september
vijf voorwaarden neer voor de verdere uitwerking van de digitale euro.
De opvallendste eis is eenvoud. Als de digitale euro wordt ingevoerd, wil de bankenvereniging beginnen met één rekening en één gekoppelde bankrekening per gebruiker. Offline betalen moet vanaf de start mogelijk zijn.
De eerste fase zou volgens de NVB bovendien uitsluitend betalingen tussen consumenten moeten ondersteunen. Andere toepassingen mogen pas volgen wanneer hun toegevoegde waarde is aangetoond.
Bedrijven en overheden zouden de digitale euro volgens dit model aanvankelijk niet zelf als retailbetaalproduct gebruiken.
Dat is een duidelijke rem op een zeer brede introductie.
De NVB verwijst naar eerdere Europese betaalprojecten die eveneens stap voor stap werden ingevoerd. Banken willen eerst zien hoe gebruikers en systemen reageren voordat meer functies worden toegevoegd.
Digitale euro legt veel werk bij banken
Die terughoudendheid heeft een duidelijke financiële reden.
Gebruikers krijgen hun digitale euro niet rechtstreeks via een loket van de
ECB. Banken en andere betaaldienstverleners moeten veel van het dagelijkse werk uitvoeren.
Denk aan het openen van accounts, identificatie van klanten, witwascontroles, fraudebestrijding en klantenservice. Ook moeten zij betalingen technisch mogelijk maken en gebruikers toegang bieden tot hun digitale euro’s.
De digitale euro zelf blijft geld van het Eurosysteem.
Dat verschilt fundamenteel van geld op een normale bankrekening. Een digitaal eurotegoed vormt rechtstreeks een verplichting van het Eurosysteem, terwijl een regulier banksaldo een verplichting van de commerciële bank is.
Precies daarom willen banken betaald worden voor hun rol.
Strijd over wie de rekening betaalt
De NVB waarschuwt dat verplichte deelname niet structureel verliesgevend mag worden.
Banken moeten investeren in systemen, beveiliging en personeel, terwijl consumenten bepaalde basisdiensten gratis moeten kunnen gebruiken. De bankenvereniging eist daarom een Europees vergoedingsmodel dat zowel vaste als transactiekosten voldoende opvangt.
De ECB erkent dat punt.
Het huidige model voorziet erin dat banken geen kosten aan het Eurosysteem betalen voor verwerking. Handelaren kunnen wel kosten betalen aan hun betaaldienstverlener, terwijl daarvoor maxima gelden. Een deel daarvan kan vervolgens naar de bank van de consument gaan.
Juist die tarieven worden nog besproken.
ECB-president Christine Lagarde bevestigde op 10 september dat de verdeling van vergoedingen en de hoogte van limieten onderwerpen zijn waarover tijdens de lopende trialoog wordt onderhandeld.
Banken vrezen vertrek van deposito’s
De tweede machtsstrijd gaat over geld dat nu op bankrekeningen staat.
Wanneer iemand €1.000 van zijn betaalrekening omzet in digitale euro’s, verdwijnt dat bedrag van de balans van de commerciële bank. Het wordt centralebankgeld.
Dat raakt banken omdat deposito’s een belangrijke bron vormen voor hun financiering.
De NVB wil daarom een zo laag mogelijke maximale hoeveelheid digitale euro’s per persoon. De munt moet vooral worden gebruikt om te betalen en niet om grote bedragen langdurig te parkeren.
Ook de ECB plant een limiet en wil geen rente betalen over digitale euro’s.
Een definitief bedrag bestaat nog niet. De ECB heeft op verzoek van de Europese onderhandelaars scenario’s getest tot €3.000 per persoon. Volgens die berekeningen zou zo’n bovengrens zelfs tijdens een zwaar stressscenario geen gevaar vormen voor de financiële stabiliteit.
Dat betekent niet dat €3.000 ook de uiteindelijke limiet wordt.
Precies daar wordt politiek nog over onderhandeld.
Europa zit nu aan de onderhandelingstafel
Het dossier is verder dan een jaar geleden.
De Raad van de Europese Unie stelde op 19 december 2025 zijn onderhandelingspositie vast. Het Europees Parlement gaf op 9 juli 2026 groen licht voor onderhandelingen met 416 stemmen voor, 169 tegen en 22 onthoudingen.
Daarna zijn de trialooggesprekken tussen Parlement, Raad en Commissie begonnen.
De ECB verwacht dat de verordening voor het einde van 2026 kan worden aangenomen. Dat is een verwachting, geen zekerheid.
Zelfs een akkoord betekent nog niet automatisch dat de digitale euro verschijnt.
De Raad van Bestuur van de ECB neemt pas na goedkeuring van de Europese regels een definitief besluit over uitgifte.
Proef begint waarschijnlijk in 2027
Technisch loopt het werk wel door.
De ECB heeft al 36 betaaldienstverleners uit de eurozone geselecteerd voor een pilot. Die moet in de tweede helft van 2027 beginnen en twaalf maanden duren.
Tijdens die proef worden onder meer betalingen tussen personen en betalingen bij winkels getest.
Als de Europese regels eind 2026 rond zijn, wil het Eurosysteem in 2029 klaar zijn voor een mogelijke eerste uitgifte.
De geschatte ontwikkelingskosten bedragen ongeveer €1,3 miljard. Na invoering verwacht de ECB jaarlijks circa €320 miljoen aan eigen operationele kosten.
Ook hier probeert Frankfurt kosten te drukken door bestaande systemen zoveel mogelijk opnieuw te gebruiken.
Dit is geen Europese stablecoin
Voor cryptobeleggers is het onderscheid belangrijk.
De digitale euro is geen private
stablecoin. Een stablecoin wordt door een bedrijf of andere private partij uitgegeven en valt in Europa onder regels zoals
MiCA.
De digitale euro zou rechtstreeks door het Eurosysteem worden gedekt.
Ook wordt de munt volgens de huidige plannen niet gebouwd op een publieke blockchain zoals
Bitcoin. De ECB gebruikt een centraal systeem voor afwikkeling, hoewel bepaalde technische ideeën uit distributed-ledgertechniek worden overgenomen.
Daarmee bouwt Europa feitelijk een publieke digitale tegenhanger van contant geld.
Banken proberen de grenzen nu vast te leggen
De discussie gaat daardoor minder over de vraag of Europa digitaal centralebankgeld technisch kan bouwen.
Het gevecht draait om de grenzen.
Hoeveel digitale euro mag iemand bezitten? Welke functies komen vanaf dag één beschikbaar? Wie betaalt banken voor het werk? En hoeveel ruimte blijft over voor bestaande Europese betaalproducten?
Nederlandse banken leggen hun kaarten nu duidelijk op tafel: klein beginnen, lage tegoeden en pas uitbreiden wanneer daar aantoonbare vraag naar bestaat.
Dat standpunt wordt overigens niet door iedere NVB-bank gedeeld. De vereniging vermeldt expliciet dat het om een meerderheidsstandpunt gaat en dat Triodos Bank een afwijkende positie heeft.
De trialoog bepaalt nu hoeveel van die Nederlandse rem uiteindelijk in de Europese regels terechtkomt.