Wie wil begrijpen waar de volgende
AI-bottleneck zit, moet minder naar modellen kijken en meer naar transformatorstations. In Vlaanderen melden Elia en Fluvius dat er de afgelopen jaren voor datacenters studieaanvragen zijn ingediend ter grootte van 70 terawattuur, terwijl het totale Belgische elektriciteitsverbruik rond 80 terawattuur ligt.
In Noord-Holland zegt Liander tegelijk dat in regio Vijfhuizen juist datacenters zorgen voor het hoge elektriciteitsverbruik, en dat daar zonder ingrijpen vanaf de winter van 2026-2027 overbelasting dreigt. Dat is de echte verschuiving in het AI-dossier. Het debat gaat nog vaak over chips, modellen en Europese concurrentiekracht.
Maar in Nederland en België komt de volgende vraag inmiddels op een veel minder sexy niveau binnen: waar past al die extra digitale infrastructuur nog op het net? De IEA wijst er bovendien op dat datacenters vaak in twee à drie jaar operationeel kunnen zijn, terwijl uitbreiding van het energiesysteem veel langere doorlooptijden kent voor planning, vergunningen en bouw.
Niet “AI slurpt alle stroom op”, wel: AI vergroot een lokaal capaciteitsprobleem
Daar helpt het om precies te blijven. De IEA verwacht dat de wereldwijde elektriciteitsconsumptie van datacenters in het basisscenario stijgt van ongeveer 415 TWh in 2024 naar circa 945 TWh in 2030. Dat is nog net geen 3% van de mondiale elektriciteitsvraag.
Belangrijker voor de Benelux is een andere observatie uit hetzelfde rapport: datacenters zijn geen diffuse stroomvragers zoals miljoenen apparaten verspreid over een land, maar clusteren op specifieke plekken. En precies daardoor wordt hun inpassing in het net lastiger. Voor Europa rekent de IEA met een stijging van meer dan 45 TWh aan datacenterverbruik tot 2030, ongeveer 70% boven het niveau van 2024.
De motor daarachter is voor een groot deel AI. De IEA schrijft dat vooral accelerated servers, grotendeels gedreven door AI-adoptie, in het basisscenario met ongeveer 30% per jaar groeien en bijna de helft van de netto toename van datacenterstroom verklaren. De Europese Commissie neemt dat uitgangspunt inmiddels ook over en koppelt de sprong van 415 naar 945 TWh expliciet aan de groei van energie-intensieve accelerated computing voor AI-toepassingen.
Nederland zit al in de fase van wachtlijsten en noodmaatregelen
In Nederland is de context nog scherper, omdat netcongestie al lang geen voorspelling meer is. In de voorjaarsrapportage 2026 van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie staat letterlijk dat er geen capaciteit meer is om toekomstige belasting van het elektriciteitsnet verder op te vangen en dat de uitbreiding van het net te langzaam gaat. De rapportage noemt nettoegang expliciet een voorwaarde voor economische ontwikkeling, woningbouw, mobiliteit en verduurzaming.
Noord-Holland laat zien hoe dat AI-verhaal lokaal tastbaar wordt. Liander schrijft dat het stroomnet daar in vier regio’s uiteenvalt met elk een eigen profiel, en dat in Vijfhuizen vooral datacenters het hoge elektriciteitsverbruik veroorzaken. TenneT verwacht daar, als er niet wordt ingegrepen, de eerste overbelasting in de winter van 2026-2027. Dan verschuift het gesprek automatisch van abstracte groei naar iets veel concreters: wie krijgt nog een aansluiting, wie moet wachten en wat krijgt voorrang?
België zegt het inmiddels hardop: niet alles kan tegelijk
In België is de toon nog directer. Elia en Fluvius zeggen niet alleen dat de aanvragen exploderen, maar ook dat het huidige systeem van first come, first served niet meer vanzelfsprekend houdbaar is. In hun toelichting pleiten ze voor strengere wachtrijregels, maturiteitscriteria en een systeem waarbij capaciteit niet onbeperkt wordt vastgehouden zonder voortgang.
Ze schuiven ook een model van “swimming lanes” naar voren, waarbij verschillende categorieën gebruikers elk een deel van de netcapaciteit krijgen. In gewone taal: beleid gaat kiezen wie voorrang krijgt.
Opvallend is ook wat Elia en Fluvius er meteen bij zeggen. Zij benadrukken dat congestie niet hetzelfde is als een nationaal tekort aan elektriciteit of een probleem met bevoorradingszekerheid, maar een kwestie van transportcapaciteit van het net.
Voor het residentiële net zien zij vandaag geen impact. Dat onderscheid is belangrijk, omdat het voorkomt dat het debat ontspoort naar “AI pakt stroom af van huishoudens”. De betere conclusie is nuchterder: AI-gedreven datacentervraag zet extra druk op een net dat fysiek en planmatig beperkt is.
Brussel ziet het ook, maar een ratingsysteem bouwt geen nieuw station
Ook op Europees niveau verschuift de aandacht van abstracte digitalisering naar de fysieke voetafdruk van datacenters. De Europese Commissie heeft voor het tweede kwartaal van 2026 een Data Centre Energy Efficiency Package gepland.
Dat pakket moet onder meer een Europees ratingsysteem voor datacenters introduceren, de analyse van gerapporteerde data verdiepen en het werk starten aan minimumnormen. De Commissie schrijft ook expliciet dat datacenters snel groeiende infrastructuur zijn met een stijgende energievraag en een substantiële milieu-impact.
Dat Europese antwoord is relevant, maar het verandert de kern van het Benelux-verhaal niet. Transparantie, rapportage en efficiëntiestandaarden kunnen helpen om datacenters slimmer en zuiniger te maken.
Ze lossen niet vanzelf het lokale probleem op van schaarse netruimte, lange vergunningstrajecten en stations die nog gebouwd moeten worden. Juist daarom is dit geen nicheverhaal voor energie-experts meer, maar een economisch en industrieel dossier: AI-ambitie vraagt niet alleen kapitaal en compute, maar ook fysieke inpassing.